schikken

Vertalingen

schikken

behagen, fügen, geziemen, ziemenarrange, beappropriate, besuitable, putinorder, suit, tidyrégler, convenir, ordonner, ranger (ˈsxɪkə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd schikte , voltooid deelwoord heeft geschikt
1. op een passend tijdstip gebeuren Als het schikt, kan ik nu wel even langskomen.
2. op een bepaalde manier neerzetten bloemschikken
3. (een conflict) oplossen Die zaak is gelukkig geschikt, dus er komt geen rechtszaak.