scherp

Thesaurus

scherp:

scherpgerand
Vertalingen

scherp

(sxɛrp)
zelfstandig naamwoord onzijdig
1. klaar om te gaan doen wat er moet gebeuren
2. met echte kogels schieten
3. zonder de bereidheid om toe te geven
je in een gevaarlijke situatie bevinden

scherp

scharf, akut, bestimmt, bündig, exakt, genau, grell, heftig, herb, hitzig, präzis, präzise, pünktlichsharp, acute, precise, accurate, acerbic, acid, acrid, bleak, exactly, harsh, nutty, sour, tart, astringent, bitter, heat, jittery, live, pungentpiquant, âcre, aigre, fin, pointu, acerbe, aigu, coupant, justement, précis, précisément, mordant, net/nette, cuisant, perçant, âpre, acéré, percant, rude, tranchant, abrupt, aigu/aiguë, avec netteté, avec virulence, brusque, extrêmement, finement, serré, sévère, sévèrement, corrosif, vif/vive, flûté, acide, cinglant, aigrement, aigu/aigüe, épicé, incisif, pénétrant, saillant, vif, affûté, intenseintensivo, nitido, lancinante, taglienteحادّ, واخِزostrý, prudkýskarpκοφτερόςafilado, intensoteräväoštar激しい, 鋭い날카로운kraftig, skarpostryafiado, agudoострый, резкийstark, vassแหลมคม, ฉับพลันkeskinrõ rệt, sắc尖锐的, 锋利的 (sxɛrp)
bijvoeglijk naamwoord
1. bot met een smal toelopende zijkant of punt, zodat je er goed mee kunt snijden of prikken een scherp mes een scherpe punt aan een potlood slijpen
zorgen dat iets minder vervelend of pijnlijk wordt
2. (van een afbeelding) duidelijk en met helder contrast haarscherp Deze camera kun je niet scherp stellen, dat doet hij zelf.
3. (van zintuigen) goed een scherp gehoor hebben niet meer zo scherp zien
4. (van een oordeel) kritisch en ongunstig scherpe kritiek
5. (van een smaak of geur) onaangenaam sterk een scherpe azijngeur