schep

Thesaurus

schep:

schopspade,
Vertalingen

schep

Schaufel, Schüppeshovelpelle, cuiller, cuillerée, pelletée, taspala (sxɛp)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -pen
1. stuk gereedschap waarmee je kunt scheppen (2) De composthoop keren gaat gemakkelijker met een riek dan met een schep.
2. hoeveelheid die je in één keer kunt opscheppen één schepje suiker in de thee, alstublieft
een groot bedrag
iets intensiever, heviger, of erger maken Vlak voor de finish deed hij er nog een schepje bovenop.