samen

Vertalingen

samen

zusammen, aneinander, aneinander‐, beisammen, gemeinsam, gesamt, insgemein, insgesamt, zugleichtogether, fellow, co‐ensemble, à deux, au total, tous (les) deuxfante, uomo, assiemeسَوِيّاًspolusammenμαζίjuntosyhdessäzajedno一緒に함께sammenrazemjuntosвместеtillsammansร่วมกันbirliktecùng nhau在一起, 一起заедно一起יחד (ˈsamə(n))
bijwoord
alleen bij of met elkaar We gaan al jaren samen op vakantie. Ik heb een weekeindhuisje samen met mijn broer en zus. Een frietje met, een blikje cola en een frikandel, dat is samen € 8,50.