ruim

Thesaurus

ruim:

wijdweids,
Vertalingen

ruim

(rœym)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -en
bergruimte in een vrachtschip laadruim

ruim

weit, ausgedehnt, breit, geräumig, Laderaum, Raum, Schiff, ausgiebigspacious, vast, wide, above, extensive, hold, morethan, over, widely, capacious, full, looseample, étendu, large, largement, cale, au large, de manière étendue, généreusement, généreux/-euse, spacieux/-euse, un peu plus de, copieux, grand, libéralement, spacieux, vague, vasteancho, holgado, sueltolargo, latitudine, vasto, ampioفَضْفاضvolnýløstsiddendeφαρδύςväljäširokゆったりとした헐거워진ledigluźnyfolgado, soltoсвободныйlösหลวมbolrộng宽松的 (rœym)
bijvoeglijk naamwoord
1. krap met voldoende inhoud of ruimte een ruime auto
2. tamelijk groot een ruime keuze ruim op tijd zijn
weinig geld hebben
meer dan vijftig deelnemers