roosteren

Vertalingen

roosteren

braten, röstentoast, roastgriller, rôtir, se faire rôtirφρυγανίζω, φρύγωcuocio (ˈrostərə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd roosterde , voltooid deelwoord heeft geroosterd
(voedsel) gaar laten worden op een rooster boven een vuur