roos

Thesaurus

roos:

rozenstruik
Vertalingen

roos

Rose, Schuppendandruff, rose, target, pinkrose, mille, pellicules, pellicules [cheveu], rosette, rosier, blancτριαντάφυλλο, πιτυρίδαrosa, caspaقِشْرَةُ الرَّأْس, وَرْدَةlupy, růžerose, skælhilse, ruusuperut, ružaforfora, rosaバラ, ふけ비듬, 장미flass, rosełupież, różacaspa, rosa, Roseперхоть, розаmjäll, rosต้นกุหลาบ, รังแคgül, kepekgàu bám da đầu, hoa hồng头皮屑, 玫瑰Роза (ros)
zelfstandig naamwoord vrouwelijk meervoud rozen
1. bloem die lekker ruikt, met doornen aan de steel
moeilijkheden opleveren Hun huwelijk gaat de laatste jaren niet over rozen.
diep en lekker slapen
in gunstige omstandigheden verkeren
2. kleine cirkel in het midden van een schietschijf
<dit zeg je als iets heel goed gezegd of gedaan is>
3. meervoud g.mv. schilfers van je hoofdhuid antiroosshampoo