ritselen

Vertalingen

ritselen

rauschenrustle, swishbruire, sussurer, arranger, froufrouter, grouiller, chuchotercrepitìo, rubare (ˈrɪtsələ(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd ritselde , voltooid deelwoord heeft geritseld
1. een kenmerkend zacht geluid maken ritselen met papier
2. op een nogal onduidelijke manier regelen Hij heeft iets geritseld met de bewakers, dus we mogen nu toch naar binnen.