riem

Thesaurus

riem:

roeiriem
Vertalingen

riem

Gürtel, Riemen, Gurt, Ries, Ruderbelt, oar, strap, girdle, collarceinture, lanière, courroie, rame, aviron, sangle, rame de papier, frein, laisseκουπί, ζώνη, λουρίδαcinto, alçaвесло, ременьcintura, fascetta, cinghia, cintaحِزَام, شَرِيطopasek, popruhbælte, stropcinturón, correahihna, vyöpojas, remenベルト, 革ひも끈, 허리띠belte, stropppasek, rzemieńband, skärpเข็มขัด, สายรัดkayış, kemercái đai, thắt lưng带子, 皮带 (rim)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -en
1. smalle band van stevig materiaal om iets vast te maken broekriem hondenriem Wilt u uw stoelriemen vastmaken?
2. langwerpig voorwerp met een verbreding aan het eind om een roeiboot mee voort te bewegen Handen aan de riemen!