rest

Thesaurus

rest:

surplus
Vertalingen

rest

Bestand, Nachbleibsel, Rest, Rückstand, Überbleibsel, Übriges, Pauserest, remainderreste, résidu, débris, vestige(s), reposgiacere, riposarsi, , sosta fermata, riposoراحَةzbytekrestυπόλοιποresto, reposolepo, loputostatak休み나머지restodpoczynek, resztarestoотдыхvilopausการพักผ่อนdinlenmephần còn lại休息почивка休息 (rɛst)
zelfstandig naamwoord meervoud -en
wat overblijft Van de restjes kunnen we morgen soep maken. voor de rest van je leven mank lopen De drie jongsten gaan met mij mee en de rest wacht hier tot we terug zijn.
<als je geen wisselgeld terug hoeft wanneer je te veel hebt betaald>
het lichaam van een overledene