rek


Zoekopdrachten gerelateerd aan rek: trek
Thesaurus
Vertalingen

rek

(rɛk)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -ken
constructie van latten of stangen om iets op te leggen of te hangen droogrek bagagerek klimrek

rek

Arbeitsbock, Bank, Elastizität, Gestell, Staffel, Staffelei, Werkstuhl, Ständerrack, cabinet, easel, workbench, bench, tressle, shelf, stretchétagère, établi, barre fixe, casier, élasticité, gondoleحَامِلvěšákstativράφιestantetelinepolicascaffale・・・掛け선반stativpółkaprateleiraполкаställชั้นวางของaskılıkcái giá架子 (rɛk)
zelfstandig naamwoord vrouwelijk meervoud
mate waarin je iets langer of breder kunt maken Er zit geen rek meer in het elastiek.
het is niet mogelijk nog meer problemen op te lossen