rein

Vertalingen

rein

blank, keusch, rein, reinlich, sauber, unbescholten, züchtigchaste, clean, pureimmaculé, pur, chaste, continent, proprepudico, pulito控制Reinบังเหียนrein控制 (rɛin)
bijvoeglijk naamwoord
1. schoon Ik voel me heel rein van binnen.
2. grote onzin