recht

Thesaurus
Vertalingen

recht

(rɛxt)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -en
1. wat je mag en wat je toekomt recht hebben op huursubsidie mensenrechten
het is redelijk als je...
sterk bij het onderwerp betrokken zijn of er veel van weten
2. meervoud g.mv.onrecht wat volgens het gevoel van de meeste mensen eerlijk is
terecht
3. alle wetten en regels van de staat grondwet rechten studeren meester in de rechten het burgerlijk recht
4. het wordt goed duidelijk wat er goed of mooi aan is Het enorme beeld komt op het grote plein goed tot zijn recht.

recht

gerade, Abgabe, aufrecht, Befugnis, direkt, gerad, gradlinig, recht, rechtwinklig, richtig, Steuer, Steuerabgabe, unmittelbar, zutreffend, Anrechtlaw, straight, jurisprudence, right, correct, direct, exact, proper, right‐angle, square, tax, justice, legaldroit, juste, direct, exact, impôt, taxe, rectangle, bien, bon/bonne, droitement, justice, pouvoir, facultéimpuesto, rectoпрямойlegge, drittoمُسْتَقيمrovnýligeευθύςsuoraravanまっすぐな똑바른rettprostyretorakตรงdoğruthẳng直的 (rɛxt)
bijvoeglijk naamwoord
kromscheef steeds in dezelfde richting een rechte weg recht tegenover het postkantoor
in de criminaliteit terechtkomen