razen

Thesaurus

razen:

woeden
Vertalingen

razen

toben, stürmen, summenbuzz, hum, ravebourdonner, ronronner, se déchaîner, bouillonner, foncer, frémir, fulminer, se démener, tempêter, démener: se démener, hurler, délirerيَهْذيblouznittale i vildelseπαραληρώdelirarhouriabuncativaneggiareわめく종잡을 수 없는 말을 하다snakke over (seg)wrzasnąć w deliriumdelirarбредитьtala lyriskt omพูดเพ้อเจ้อabuk sabuk konuşmaknói như điên như dại咆哮 (ˈrazə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd raasde , voltooid deelwoord heeft geraasd
1. met hoge snelheid en lawaai bewegen het razende verkeer
2. met veel lawaai laten merken dat je heel boos bent razen en tieren