punt

Vertalingen

punt

(pʏnt)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -en
1. scherp of stomp uiteinde een scherpe punt slijpen aan een potlood
als het echt belangrijk wordt
ik weet het bijna, maar net niet voldoende om het te noemen
2. stip, vooral als leesteken een punt aan het einde van de regel dubbelepunt
alles precies afwerken
ermee ophouden
3. gespannen opletten

punt

Punkt, Spitze, Kulm, Point, Stift, Zacke, Zinke, Zipfel, Sinnpoint, dot, period, peak, summit, tip, full stop, element, fragment, item, particle, spot, mark, punt, stoppoint, pointe, bout, cime, score, sommet, but, problème, quartier, article, nez, bec, pochecùlmine, punta, puntoحَدّ, نُقْطَةbod, jádro věci, puntík, špička, tečkapoint, pointe, prik, punktum, spidsκουκκίδα, μύτη, σημείο, τελείαpunto, puntaasian ydin, kärki, piste, täpläbod, poanta, točka, vrh先, 得点, 点, 終止符, 要点마침표, 사물의 뾰족한 끝, 사실, 점, 점수poeng, punkt, punktum, spisskropka, punkt, szpicponto, ponta, ponto de vista, ponto finalмысль, острие, очко, точкаpoäng, punkt, spetsความคิดเห็น, คะแนน, จุด, ปลายแหลม, มหัพภาค จุดnokta, chấm tròn nhỏ, dấu chấm câu, điểm, mũi, , 句点, 小圆点, точкаהצבע (pʏnt)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -en
1. plaats eindpunt ontmoetingspunt op het zuidelijkste punt van het eiland
bijna beginnen met...
weer op gang komen nadat het minder goed ging
2. eenheid waarmee je prestaties vergelijkt In deze spelronde kun je vijftig punten halen. het hoogste aantal punten
3. dat vind ik geen probleem