poot

Vertalingen

poot

Bein, Fuß, Pfote, Unterschenkelpaw, leg, foot, bitchpied, patte, jambe, pédé, pince, mainπόδιpata, pie, zarpagamba, zampa, piediرِجْلnohabenjalkanoga다리bennóżkapernaножкаbenขาbacakchân (pot)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud poten
1. been van een dier Insecten hebben zes poten. voorpoot
(van een probleem of een moeilijke situatie) goed aflopen
boos op hoge poten de directeur te spreken vragen
iets beginnen te organiseren een kindervakantieweek op poten zetten
2. voet of hand Blijf met je poten van me af!
niets doen om te helpen
niet toegeven
iemand te veel laten betalen
3. iets waarop een meubel staat een krukje met drie poten tafelpoot