poepen

Vertalingen

poepen

defecate, rootdéféquer, aller à la selle (ˈpupə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd poepte , voltooid deelwoord heeft gepoept
1. ontlasting uit je darmen laten komen Ik moet heel nodig poepen!.
2. seks hebben voor de eerst keer poepen