plus

Vertalingen

plus

(plʏs)
de, o
meervoud -sen
min het teken + Op de lijst staat een plusje voor de dingen die je moet meebrengen.

plus

(plʏs)
bijwoord
1. <na een getal> meer dan de waarde van dat getal een 6 plus krijgen voor een proefwerk
kaas met een vetgehalte boven de 20 procent
2. <voor een getal> met de waarde van dat getal boven nul gemiddelde temperatuur: plus 5 graden

plus

plusplus, élément positif, excédent, pôle positifcompreso, e, sovrappiù, piùزائِداًplusplusplusσυνmásplusplus・・・を加えて...을 더하여plusswięcejmaisплюсplusเพิ่มอีกayrıcacộng thêm加上, פלוסплюс (plʏs)
voegwoord
<tussen getallen> tel bij elkaar op Zeven plus vier is elf.