pluim

Thesaurus

pluim:

veer
Vertalingen

pluim

Feder, Lob, Rispefeather, plume, praiseplume, louange, panache, houppe, plumeau, pompon, plumetpenna, piuma (plœym)
zelfstandig naamwoord meervoud -en
1. bundeltje veren om iets te versieren een oude legerhelm met een pluim
2. vogelveer pluimbal
3. iemand zeggen dat hij of zij iets goed gedaan heeft