plank

Thesaurus

plank:

schap
Vertalingen

plank

Brett, Regal, Bordbrett, Tafel, Wandbrett, Etagereboard, shelf, plankplanche, étagère, tablette, panneau, rayon, rayon de rangement, scène, latteεταζέρα, ράφι, σανίδαscaffale, asseرَفّ, لَوْحpolička, prknobræt, hyldeestante, tabla, tablónhylly, lautadaska, polica板, 棚선반, 판hylle, plankedeska, półkaprateleira, tábuaдоска, полкаbräda, hyllaกระดาน, ชั้นวางraf, tahtagiá, tấm ván木板, 架子מדףшелф (plɑŋk)
zelfstandig naamwoord meervoud -en
langwerpig stuk hout dat uit een boomstam is gezaagd vloerplanken snijplank
ongelijk hebben, je vergissen
erg stijf