pit

Thesaurus

pit:

vruchtenpit
Vertalingen

pit

Docht, Kern, Korn, Obststein, Obstkernpip, core, grain, granule, kernel, nucleus, pit, wick, fuse, seedpépin, noyau, mèche, grain, graine, centre, amande, bougie], brûleur, mèche [lampe, nerf, suc, tonus, punch, feu, sèvepabilo, pábilo, semilla, pepitagranello, semeحَبَّةjadérkokerneκουκούτσιhedelmän siemenkošticakjernepestkacaroço, sementeзернышкоkärnaเมล็ดในของผลไม้çekirdekhạt果仁, בור (pɪt)
zelfstandig naamwoord meervoud -ten
1. biologie hard ding in een vrucht waaruit een nieuwe boom kan groeien sinaasappels zonder pit
2. brander op een gasfornuis tweepits gasstel
weinig tijd en aandacht meer aan iets besteden
3. iemand die daadkracht en energie heeft