persen

Thesaurus

persen:

uitpersen
Vertalingen

persen

bedrücken, beklemmen, drücken, pressen, zwängenoppress, squeeze, press, squeezeout, juice, shoehornpresser, emboutir, serrer, appuyer en écrasant, pousser [bébé], repasser à la vapeur/à la pattemouille, écraser, foulerdeprìmere, premere (ˈpɛrsə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd perste , voltooid deelwoord heeft geperst
1. je spieren aanspannen om iets uit je lichaam te duwen persweeën
2. door druk uit te oefenen iets in een bepaalde vorm brengen met een stoomstrijkijzer een broek persen
3. sterk samendrukken zich in een volle bus persen