per

Thesaurus

per:

vanaf
Vertalingen

per

pro, durch, für, in, kraft, mit, mittelst, nach, um, um zu, vermittels, zuper, a, by, in, inside, into, through, within, bymeansof, for, inorderto, on, to, withpar, en, à, dans, afin de, au milie de, au moyen de, parmi, pour, à partir deen, pordentro, frà, aلِكُلِّnaperανάperpo・・・につき...당perprzezporиз расчета наperต่อbaşınacho mỗiלכל (pɛr)
voorzetsel
1. gebruikmakend van per trein reizen
2. <woord om de verhouding tussen twee eenheden aan te geven> twee keer per jaar met vakantie gaan vijftien cent per minuut
3. met ingang van per 1 april ontslagen zijn