pech

Vertalingen

pech

badluck, brakedownpanne, malchance, tuilemala suerte不運Pech (pɛx)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud
1. mazzel iets onaangenaams dat jou toevallig overkomt pech hebben
2. technisch probleem met een motorvoertuig waardoor je niet verder kunt rijden Ze komt later, want ze staat met pech langs de weg.