| Nederlands Woordenboek / Dutch Dictionary 1.724.694.931 Bezoekers. |
|
passen |
0,02 sec. |
|
passen ww passen (paste enk ovt; heeft gepast volt deelw) [ˈpɑsə(n)]
1 de juiste maat hebben;= aansluiten Het past precies. Dit dopje past niet op deze fles. Zijn trouwpak past hem na dertig jaar nog steeds. 2 proberen of een kledingstuk de juiste maat heeft paskamers 3 precies het juiste bedrag betalen gepast betalen Vertalingen passen behagen, erproben, fügen, gehören, geziemen, probieren, prüfen, schicken, sich gehören, versuchen, ziemen, gaumen passen attempt, beappropriate, befit, befitting, besuitable, conform, fit, fitin, suit, test, try, tryon, nest passen convenir, essayer, être décent, ajuster, aller (bien), aller ensemble (avec), faire l'appoint, mesurer (qc.) (avec précision), passer, qc.), s'occuper (de qn., aller, convenir (à), joindre passen ensaiar Voeg toe aan iGoogle Gratis Website inhoud – Webmaster tools |
|
| Gratis hulpprogramma's: |
Voor bezoekers:
Browser extensie |
Woord van de Dag |
Help
Voor webmasters: Gratis inhoud | Link | Lookup box | Dubbelklik om te zoeken | Wordt onze partner |
|---|