passagier

Thesaurus

passagier:

reiziger
Vertalingen

passagier

Passagier, Fahrgast, Passagierinpassengerpassager, passager/-ère, voyageur/-euse, voyageurpassageiropasseggeroرَاكِبٌcestujícípassagerεπιβάτηςpasajeromatkustajaputnik乗客승객passasjerpasażerпассажирpassagerareผู้โดยสารyolcuhành khách乘客пътнически (pɑsaˈʒir)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -s
iemand die meereist in een vervoermiddel Er is ruimte voor vijf passagiers.