pas

Thesaurus
Vertalingen

pas

(pɑs)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -sen
1. stap kleine pasjes nemen
niet verder komen
2. officieel bewijs dat je bent wie je bent, meestal met een pasfoto erop paspoort bankpasje bezoekerspas
3. dat hoort niet
4. op het juiste moment beschikbaar zijn

pas

allein, bloß, eben, erst, gerade, just, lediglich, nur, Paß, Reisepaß, Schritt, soeben, Tritt, Ausweisjust, only, pass, passport, exclusively, justnow, pace, step, stride, only justpas, col, justement, passeport, seulement, à l'instant, ne ... que, à peine, ça, carte d'identité, c'est du, de la, horizontal, horizontalement, ne...que, occasion, passage, qui a la mesure exacte, venir de, voilà ce que, voilà qui, semelle, récemment, laissez-passerpassaporto, valico, permessoإِذْنُ مُرُورprůkazpasάδεια εισόδουpasekulkulupapropusnica許可証허가adgangskortprzepustkapasseпропускpasserkortใบอนุญาตpasogiấy phép通行证 (pɑs)
bijwoord
1. onlangs pas geverfd
2. niet eerder of groter, of meer dan... het toernooi is pas volgende week Ze zijn pas twee weken getrouwd.