pan

Vertalingen

pan

Pfanne, Bratpfanne, Dachziegel, Hafen, Kanne, Kasserole, Kochpfanne, Krug, Topf, ZiegelPan, casserole, saucepan, cookingpot, fryingpan, frying‐pan, jug, potpoêle, tuile, casserole, Pan, pot, fait-tout/faitoutpentola, padellaطُنْجَرَةٌkastrolpandeτηγάνιolla, panpannutava平なべpannerondelfrigideira, panela, PANсковородаpannaกระทะtavachảo平底锅 (pɑn)
zelfstandig naamwoord meervoud -nen
1. metalen vat waarin je warm eten kunt klaarmaken koekenpan steelpan roestvrijstalen pannen
het wordt veel te duur
2. elk van de van klei gebakken (gebogen) platen op een dak
in een duurzame, veilige situatie verkeren