paar

Thesaurus

paar:

twee
Vertalingen

paar

(par)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud paren
1. tweetal dat bij elkaar hoort een paar schoenen bruidspaar
2. enkele iets een paar keer opnieuw proberen

paar

pair, couple, duo, even, geminatepaire, couple, pair, quelques, ménagepaioزَوَجٌpárparPaarζεύγοςparpariparひと組한 쌍parparaparпараparคู่çiftđôi一对 (par)
bijvoeglijk naamwoord
(van een getal) deelbaar door twee