overlopen

Thesaurus

overlopen:

oversteken
Vertalingen

overlopen

überlaufen, entern, übergeben, überrennen, übertreten, Seite wechselnoverflow, defect, cross, gobeyond, transferdéborder, dépasser, passer, déborder (de), déserter, inonder, passer (à), passer sur, venir (trop) souvent chez (qn), trahir (ˈovərlopə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd liep over , voltooid deelwoord is overgelopen
1. (van een vat dat vloeistof bevat) zo vol zijn dat de inhoud eruit stroomt Het bad was zo vol dat het overliep toen ik erin stapte.
2. (van iemand) je aansluiten bij de tegenstander overlopen naar het kamp van de vijand