opzetten

Thesaurus

opzetten:

toenemen
Vertalingen

opzetten

ausstopfen, entfalten, polstern, schwellen, strotzen, aufstellentousle, upholster, pad, spreadout, stuff, swell, install, put on, put uphérisser, déployer, gonfler, rembourrer, commencer, dresser (qn. contre), empailler, enfler, mettre, mettre (à chauffer, monter [eau], sur le feu), surgir, planter, se coiffer, supporterيُقِيمpostavitrejseστήνωerigirpystyttääpodićialzare建てる설치하다bygge oppzbudowaćconstruirвоздвигатьsätta uppสร้างdikmekxây dựng建造 (ˈɔpsɛtə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd zette op , voltooid deelwoord
1.
voltooid deelwoord heeft opgezet
laten ontstaan of neerzetten een organisatie voor vermiste huisdieren opzetten een tent opzetten
2.
voltooid deelwoord heeft opgezet
(een dood dier) zo bewerken dat het eruitziet alsof het nog leeft en bewaard kan worden zonder te vergaan
3.
voltooid deelwoord is opgezet
(van een lichaamsdeel) dikker worden
4. water laten koken om er thee van te zetten
5. doe je best