opwinden

Vertalingen

opwinden

(ˈɔpwɪndə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd wond op , voltooid deelwoord heeft opgewonden
1. zorgen dat het gewicht of de veer een uurwerk blijft aandrijven de antieke klok opwinden voordat je naar bed gaat
2. (draad of touw) tot een kluwen maken
3. (iemand) seksueel prikkelen Dit soort plaatjes winden mij helemaal niet op.

opwinden

agitieren, anfeuern, anregen, anspannen, aufregen, aufziehen, ausspannen, ermutigen, erregen, spannen, straffen, wickelnwind, excite, abet, agitate, incite, rouse, stirup, strech, windupexciter, remonter, agiter, bander, débattre, émouvoir, hérisser, raidir, serrer, tendre, troubler, enrouler, bobiner, enflammer, exalteragitare, avvolgereيَلُفُّomotatsnoτυλίγωenrollarkietoaomatati・・・を巻く감다bindezawijaćenrolarобмотатьlindaพันsarmakgói lại盘绕 (ˈɔpwɪndə(n))
werkwoord wederkerend
enkelvoud onvoltooid verleden tijd wond zich op , voltooid deelwoord heeft zich opgewonden
van ergernis zichtbaar boos worden Wind je toch niet zo op over die hondenpoep op straat!