opvallen

Vertalingen

opvallen

auffallen, klopfen, schlagen, empfehlenknock, hit, strikefrapper, heurter, faire remarquer, se distinguergolpearbattere, battuta, urtare (ˈɔpfɑlə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd viel op , voltooid deelwoord is opgevallen
aandacht trekken door bepaalde kenmerken Er hangt wel een naambordje naast de deur, maar dat valt nauwelijks op.