optuigen

Vertalingen

optuigen

anspannen, auftakeln, ausrüsten, spannen, vorspannenrig, harnessatteler, harnacher, armer, décorer, gréer [bateau], gréer (ˈɔptœyxə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd tuigde op , voltooid deelwoord heeft opgetuigd
mooier maken een kerstboom optuigen