optreden

Thesaurus

optreden:

spelenperformen,
Vertalingen

optreden

agieren, ausschreiten, Darbietung, Darreichung, Darstellung, handeln, verfahren, vorgehen, Vorlegung, Vorstellung, wirkenact, action, activity, presentation, takeaction, appear, playactivité, agir, offre, opérer, représentation, action, proposition, (ap)paraître, comportement, intervenir, jouer (un rôle) dans, prestation, se produire, servir (de), allure, maintien, apparaîtreazione, effetto, lamentela, procedimentoacciónaçãoдействие行动行動 (ˈɔptredə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd trad op , voltooid deelwoord is, heeft opgetreden
1. (van een artiest) een voorstelling geven tijdens het festival elke dag twee keer optreden
2. handelen De politie trad streng op tegen de demonstranten. optreden als bemiddelaar in een conflict
3. zich voordoen Er kunnen bijverschijnselen optreden als jeuk en duizeligheid.