opstaan

Thesaurus
Vertalingen

opstaan

aufstehen, aufgehen, sich erheben, sich stellen, steigen, sträubenarise, ascend, rise, stand, get up, stand up, cook, getup, goup, lift, standupse lever, surgir, sursauter, se dresser, se soulever, être sur le feu, se tenir debout, sortir du lit, se mettre deboutlevantarse, ponerse en pieesalare, alzarsiيَنْهَضُstát, vstátrejse (sig), stå opσηκώνομαιnousta ylös, seistastajati, ustati起きる, 起立する일어나다, 일어서다stå oppstanąć, wstaćestar de pé, levantar-seвставать, стоятьsätta sig emot, stiga uppยืนขึ้น, ลุกขึ้นhakkını savunmak, kalkmakđứng dậy, đứng lên起床, 起立 (ˈɔpstan)
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd stond op , voltooid deelwoord is opgestaan
1. gaan staan opstaan voor een oudere dame in de bus
2. na nachtrust weer uit bed komen vroeg opstaan