opschieten

Vertalingen

opschieten

fortschreiten, Fortschritt machen, vorschreiten, beeilen (sich)advance, progress, get along, hurry upavancer, progresser, se bousculer, se presseradujar, darse prisaيَسْتَعْجِلُpospíšit (si)skynde (sig)επισπεύδωkiirehtiäpožuritisbrigarsi急ぐ서두르다skynde segpośpieszyć siędespacharпоторапливать(ся)skynda (sig) påเร็วเข้าหน่อยacele etmeknhanh lên赶快 (ˈɔpsxitə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd schoot op , voltooid deelwoord is opgeschoten
1. je haasten Je moet opschieten, want we zijn al laat.
2. snel vooruitgaan Nu we weten hoe het moet, schiet het werk lekker op.
het prettig vinden om iets met iemand samen te doen