opscheppen

Thesaurus

opscheppen:

snoeven
Vertalingen

opscheppen

prahlen, ausposaunen, blüffen, brüsten, renommieren, schaufeln, täuschen, aufschneiden, angebenboast, brag, shovel, dishup, bragg, show offbluffer, servir, faire le malin, fanfarroner, pelleter, ramasser à la pelle, se vanter (de), exhiber, se vanter debadile, vanga, ostentare, vantarsiيَتَبَاهى, يَفْتَخِرُvychloubat sepraleκάνω φιγούρα, καυχιέμαιalardear, presumirkerskailla, leveillähvaliti se, razmetati se自慢する, 見せびらかす과시하다, 자랑하다skryte, vise segpochwalić się, popisać sięexibir-se, gabar-seрисоваться, хвалитьskrytaทำตัวเด่น, พูดยกย่องตัวเองจนเกินไปböbürlenmek, gösteriş yapmakkhoe khoang炫耀, 自夸, 吹牛吹牛 (ˈɔpsxɛpə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd schepte op , voltooid deelwoord heeft opgeschept
1. over iets van jezelf praten en daarbij overdrijven over wat er goed aan is Hij zat geweldig op te scheppen over zijn acteertalent.
2. (eten) uit een schaal of een pan op een bord leggen Het is lekker, schep mij nog maar een keer op.