oprichten

Thesaurus

oprichten:

opstartenopzetten,
Vertalingen

oprichten

(ˈɔprɪxtə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd richtte op , voltooid deelwoord heeft opgericht
(iets) laten ontstaan een vereniging oprichten

oprichten

etablieren, aufheben, aufrichten, aufschlagen, erheben, gründen, heben, herstellen, zücken, zurichtenerect, establish, lever, lift, raise, rearélever, lever, soulever, dresser, fonder, créer, constituer, ériger, instaurerlevantarergere, rizzare (ˈɔprɪxtə(n))
werkwoord wederkerend
enkelvoud onvoltooid verleden tijd richtte zich op , voltooid deelwoord heeft zich opgericht
rechtop gaan zitten of staan