opmaken

Thesaurus

opmaken:

potverteren
Vertalingen

opmaken

redigieren, stilisieren, vergeuden, verschwenden, versöhnen (sich)edit, waste, finish, useup, make updissiper, prodiguer, rédiger, gaspiller, apprêter, arranger, conclure (de), dépenser, dresser, faire, manger, maquiller, mettre en pages, habiller, passer, inventereremo, sperperare, consistereيَتَكَوَّنُ مِنَtvořit, Formátudgøre, formatαποτελώ, μορφήcomponer, representar, formatomuodostaačiniti埋め合わせる구성하다utgjøresporządzić, formatconstituir, formatoсоставлять, форматbli sams, formatเป็นส่วนของuzlaşmakcấu thành构成, 格式格式формат (ˈɔpmakə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd maakte op , voltooid deelwoord heeft opgemaakt
1. alles gebruiken tot het op is alle pindakaas opmaken je laatste vakantiegeld opmaken aan souvenirs
2. het beddengoed er netjes op leggen
3. make-up aanbrengen je opmaken voor je uitgaat zwaar opgemaakt
4. uitrekenen wat er in- en uitgegaan is
5. voorbereidingen treffen om te vertrekken