opkomst

Vertalingen

opkomst

assistance, affluence, ascension, croissance, entrée (en scène), lever [soleil, lune], participation, avènement, essor, naissance (ˈɔpkɔmst)
zelfstandig naamwoord vrouwelijk meervoud
1. aantal mensen dat komt een lage opkomst bij de Europese verkiezingen
2. begin (van een maatschappelijk verschijnsel) Aandacht voor het milieu kwam in de jaren tachtig in opkomst.