opjagen

Vertalingen

opjagen

anfeuern, jagen, treiben, vor sich hertreibenshoo, chase, drive, driveon, impelpousser, pourchasser, poursuivre, traquer, amener à, faire avancer, dresser (qn contre qn), presser, bousculer, soulever (ˈɔpjaxə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd joeg op, jaagde op , voltooid deelwoord heeft opgejaagd
aansporen tot sneller doen of gaan