opduiken

Vertalingen

opduiken

emerge(re)surgir, dénicher, émerger, faire surface, pêcher, déboucher出現出现 (ˈɔpdœykə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd dook op
1.
voltooid deelwoord is opgedoken
plotseling verschijnen Er doken ineens vreemde verhalen op over haar jeugd in Italië.
2.
voltooid deelwoord heeft opgedoken
vinden een oude zeeroverschat opduiken iemand opgedoken hebben in het café