opdragen

Vertalingen

opdragen

beauftragen, betrauen, weihen, widmen, zueignen, anweisendedicate, celebrate, devote, entrust, tell, charge, set, instructconsacrer, dédier, célébrer, charger, confier une tâche, charger (qn de faire qc), dédier (à), monter (en portant), offrir (qc à qn), instruireconfidare, ordinareيُعَلِّمُdát pokyninstruereδιδάσκωdar instruccionesneuvoauputiti指示する교육하다instrueredać wskazówkiinstruirинструктироватьinstrueraแนะนำtalimat vermekhướng dẫn指示 (ˈɔpdraxə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd droeg op , voltooid deelwoord heeft opgedragen
1. zeggen dat iemand iets moet doen iemand een karwei opdragen
2. een godsdienstoefening leiden in de katholieke kerk
3. als eerbewijs zeggen dat je het voor iemand hebt geschreven