opbrengen

Thesaurus

opbrengen:

opleveren
Vertalingen

opbrengen

angeben, erteilen, erzeugen, geben, herreichen, hervorbringen, produzierenproduce, afford, bear, giveproduire, bailler, donner, abouler, passer, rapporter, appliquer, imposer, mettre, revêtir (ˈɔbrɛŋə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd bracht op , voltooid deelwoord heeft opgebracht
1. (geld) opleveren De collecte bracht een flink bedrag op.
2. iets doen waar je geen zin in hebt of wat je moeilijk vindt de moed opbrengen om je excuses aan te bieden begrip opbrengen voor iemands moeilijkheden
3. (verf of lak) aanbrengen De tweede laag pas opbrengen als de eerste droog is.