| Nederlands Woordenboek / Dutch Dictionary 1.786.391.648 Bezoekers. |
|
vrij |
0,04 sec. |
|
vrij1 [vrɛi] vrije dag of vrij moment op het werk of op school;= vrijaf Helaas, ik kan geen vrij krijgen. Morgen hebben we een dagje vrij. vrij2 bn vrij [vrɛi] (van iets/iemand) niet beperkt in zijn of haar beweging, mogelijkheden, gebruik enz.;= los;= onbeperkt; onvrij; vast; gevangen Ik werk vier dagen per week, op vrijdag ben ik vrij. Wat doe je in je vrije tijd? Is deze stoel vrij? op vrije voeten zijn niet meer of nog steeds niet in de gevangenis zitten;= vrij zijn uit vrije wil omdat je het zelf wilt, niet omdat je moet zo vrij zijn om iets te doen de vrijheid hebben om iets te doen wat iemand vervelend zou kunnen vinden Mag ik zo vrij zijn om te vragen hoe oud u bent? Ik ben zo vrij geweest om voor jou een kaartje te kopen. vrij van iets zonder iets vrij van conserveringsmiddelen belastingvrij vrij3 bw vrij [vrɛi] nogal;= behoorlijk;= tamelijk
Het is vrij warm. Vertalingen vrij genug, genügend, hinlänglich, unentgeltlich, ziemlich, zwanglos vrij enough, free, freeandeasy, quite, rather, sufficiently, unoccupied, vacant, clear vrij assez, avec abandon, desserré, passablement, plutôt, suffisamment, vague, exempt (de), gratuit, gratuitement, libre, librement, sans, dégagé, franc/franche, disponible, désinvolte, vacant, relativement vrij ελεύθερος Voeg toe aan iGoogle Gratis Website inhoud – Webmaster tools |
|
| Gratis hulpprogramma's: |
Voor bezoekers:
Browser extensie |
Woord van de Dag |
Help
Voor webmasters: Gratis inhoud | Link | Lookup box | Dubbelklik om te zoeken | Wordt onze partner |
|---|