op

Vertalingen

op

(ɔp)
voorzetsel
1. onder <aan aan te geven dat iets zich aan de bovenkant van iets anders bevindt> een appel op de fruitschaal Je sleutelbos ligt op de koelkast.
2. <geeft aan waar iets zich bevindt> Ik kom wat later; ik zit nu nog op kantoor. We waren vorige week op Terschelling.
3. <geeft aan wanneer iets gebeurt> op werkdagen van negen tot vijf op dit moment

op

auf, an, anläßlich, aufwärts, empor, halber, herauf, hinauf, nach oben, um, um ... willen, wegen, eine Aktie zeichnen, eine Anleihe zeichnen, empfehlen, gaumen, prägenon, up, upon, by, worn, above, at, becauseof, exhausted, for, forsakeof, onaccountof, owingto, through, uphill, upwards, usedup, coin-op, earthy, listen, look, one, prefix, slate, up to, ontosur, à, contre, de, en, à cause de, en haut, fini, à/au (à+le)/aux (à+les), brisé, debout, par, accentuer, dans, envers, pourlên, ở trênen, a, hacia, sobreportato, sopra, suعَلَىnaop på, påεπί, πάνωjhk suuntaan tai paikkaan, -llana・・・の上に, ・・・の上へ...의 위에, ~위로, 위에oppi, naem, em cima, em cima de, para cima deнаpå, uppไปบน, บนüzerinde, üzerine到…之上, 在...之上, 在…之上ב (ɔp)
bijwoord
1. naar boven het dak op klauteren
2. wakker, uit bed en aangekleed Ben je nog op? Vooruit, naar bed!
3. <wanneer alles verbruikt is> Er is niets over; alles is schoon op.
uitgeput