ook

Thesaurus

ook:

zowel
Vertalingen

ook

auch, ebenfalls, gleichfalls, zutoo, also, likewiseaussi, même, non plus, par conséquent, peut-être, vraiment, pareillement, également, sitambiéntambém, outrossimancheأَيْضاًtakéogsåεπίσηςmyöstakođer・・・も, また...도 또한, 또한altfor, ogsårównieżтакжеocksåเช่นกัน, อีกด้วยayrıca, de, dacũngגם (ok)
bijwoord
1. <woord waarmee je aangeeft dat nog iets of iemand anders komt of meetelt> De buren aan de overkant doen ook mee. Een eend kan alles: zwemmen, vliegen en ook nog een beetje lopen.
2. in ieder geval We gaan hoe dan ook naar Frankrijk deze zomer, maar we weten nog niet wanneer precies.