ontzeggen

Vertalingen

ontzeggen

dénier, interdire (qc à qn), priver, refuser (qc à qn), rejeter [en justice], refuser, sevrernegarnegareปฏิเสธdenyOdepřít拒絕拒绝negar거부 (ɔntˈsɛxə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd ontzegde, ontzei , voltooid deelwoord heeft ontzegd
1. zeggen dat iemand iets niet (meer) mag iemand de toegang tot het stadion ontzeggen iemand de rijbevoegdheid ontzeggen
2. zij heeft beslist talent