ontlopen

Vertalingen

ontlopen

fleevyhnout seundgåvälttääלהימנעéviter避免evitare避免evitarتجنب避ける (ɔntˈlopə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd ontliep , voltooid deelwoord is/heeft ontlopen
1. moeite doen om (iemand) niet tegen te komen Buiten het werk ontliep hij zijn collega's zo veel mogelijk.
2. niet veel verschillen De premies van de ziektekostenverzekeringen ontlopen elkaar niet veel.